geit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een geit.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geit geiten
verkleinwoord geitje geitjes

Zelfstandig naamwoord

geit v

  1. (zoogdieren) Capra aegagrus hircus Wikispecies-logo-en.png een evenhoevig zoogdier
    Zij hebben een geit geadopteerd.
  2. (scheldwoord) een scheldwoord voor een vrouw
    Wat is dat een stomme geit, zeg!
  3. een benaming voor een grappig eigenaardig persoon
    Hij is toch zo'n geit, je blijft lachen met hem.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
geien

geit

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geien
    Jij geit.
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geien
    Hij geit.
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van geien
    Geit!

Meer informatie


Limburgs

Uitspraak
  • [werkwoord]: IPA: /ɣɛɪt/ ~ /ɣɛɪð/ (Etsbergs)
  • [zelfstandig naamwoord]: IPA:
    • (Etsbergs): /ɣɛɪt/
    • (Maastrichts): /ɣɛːt/
Woordafbreking
  • geit

Werkwoord

geit

  1. derde persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd van gaon.

Zelfstandig naamwoord

geit m/v

  1. v: geit (vrouwelijke geit).
  2. m: bok.
  3. m/v: geit (ras).
Verbuiging
Synoniemen
Afgeleide begrippen