weer

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
  • Geluid:  weer    (hulp, bestand)
  • IPA:
    • (Noord-Nederland) /ʋɪːr/
    • (Vlaanderen, Brabant) /β̞eːr/
    • (Limburg) /weːr/
Woordafbreking
  • weer

Zelfstandig naamwoord

weer o of m

  1. o de atmosferische omstandigheden.
  2. m een gesneden geitenbok.
  3. m bezig zijn (zich te weren): in de weer zijn.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Bijwoord

weer

  1. nog een keer.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /weːʁ/ (Etsbergs)

Persoonlijk voornaamwoord

weer

  1. wij
  2. men
Verbuiging
weer enkelvoud meervoud
geheel onbeklemtoond gemuteerd gemuteerd
onbeklemtoond
geheel onbeklemtoond gemuteerd gemuteerd
onbeklemtoond
nominatief ich 'ch - - weer v'r - -
genitief miens mes - - ózzes, ózzer - - -
locatief mienes, mienentj - - - ózzes, ózzentj - - -
datief mir mör - - ós, ózzem, ózze - - -
accusatief mich me - - ós - - -
reflexief michzèlf mich - - ószèlf ós - -
  • Verder bestaat ook nog de tweevoud met de vorm weet.
Persoonlijke instellingen