deur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • deur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord deur deuren
verkleinwoord deurtje deurtjes

Zelfstandig naamwoord

deur v/m

  1. een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
    De deur werd met een koevoet uit zijn sponningen gelicht.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • bij iemand de deur plat lopen
  • Dat doet de deur dicht.
  • een open deur intrappen
  • iemand aan de deur zetten
  • iemand de deur wijzen
  • met de deur in huis vallen
  • niet met iemand door één deur kunnen
  • voor de rode deur moeten gaan
  • zo gek als een deur
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

Voorzetsel

deur

  1. door


Veluws

Voorzetsel

deur

  1. door
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen