poort

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
De Brusselpoort te Mechelen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • poort
Woordherkomst en -opbouw
  • Van Latijn porta ( poort). Verwant met Grieks poros (weg door/over het water, brug). Uiteindelijk van het Proto-Indo-Europees *prtu- (doorgang), van welke stam bijvoorbeeld ook zijn afgeleid: Nederlands voorde (doorwaadbare plaats), Noors fjord (fjord), Engels port (haven) en Avestisch peretush (doorgang, brug, voorde).
enkelvoud meervoud
naamwoord poort poorten
verkleinwoord poortje poortjes

Zelfstandig naamwoord

poort v/m

  1. Met deuren afsluitbare doorgang door een muur
  2. logische poort: een elektrische schakeling die werkt volgens de Booleaanse Logica
  3. een uit- or toegang voor informatie in een computer
Vertalingen

Meer informatie