hek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hek
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hek | hekken |
| verkleinwoord | hekje | hekjes |
Zelfstandig naamwoord
hek o
- omheining, afscheiding
- draaibaar deel van een omheining, het deel dat als toegang gebruikt wordt
- raamwerk van latten van een molenwiek
- (scheepvaart) de bovenachterzijde van een schip, achterreling
Verwante begrippen
- hekanker, hekbalk, hekboot, hekdavits, hekgolf, heklicht, heksloep, hekstag, hektjalk, hektrawler, hektreiler, heklastig, hekwerk, hekkensluiter, tuinhek, draaihek
Spreekwoorden
- de wind niet door de hekken laten waaien
- elke mogelijke gelegenheid benutten
- de hekken zijn verhangen
- de situatie is geheel veranderd
- de een mag een koe stelen, de ander mag nog niet over het hek kijken
- men meet met twee maten, de een mag veel, de nader niks
- als het hek van de dam is, lopen de schapen overal
- wanneer er geen toezicht is, doet men wat men maar wil
Vertalingen
1. omheining, afscheiding
2. draaibaar deel van een omheining, het deel dat als toegang gebruikt wordt