hek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hek
enkelvoud meervoud
naamwoord hek hekken
verkleinwoord hekje hekjes

Zelfstandig naamwoord

hek o

  1. omheining, afscheiding
  2. draaibaar deel van een omheining, het deel dat als toegang gebruikt wordt
  3. raamwerk van latten van een molenwiek
  4. (scheepvaart) de bovenachterzijde van een schip, achterreling
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • de wind niet door de hekken laten waaien
elke mogelijke gelegenheid benutten
  • de hekken zijn verhangen
de situatie is geheel veranderd
  • de een mag een koe stelen, de ander mag nog niet over het hek kijken
men meet met twee maten, de een mag veel, de nader niks
  • als het hek van de dam is, lopen de schapen overal
wanneer er geen toezicht is, doet men wat men maar wil
Vertalingen