zwakjes

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwak·jes
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zwak met het achtervoegsel -jes
stellend
onverbogen zwakjes
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

zwakjes

  1. flauw.
    • De soep is zwakjes vandaag. 

Bijwoord

zwakjes dim. tant.

  1. flauw.
    • Hij glimlachte zwakjes naar de man. 

Zelfstandig naamwoord

zwakjes mv

  1. verkleinwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord zwak

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.