Naar inhoud springen

zonde

Uit WikiWoordenboek
  • zon·de
enkelvoud meervoud
naamwoord zonde zonden
zondes
verkleinwoord zondetje zondetjes

dezondev/m

  1. (religie) overtreding van een goddelijke wet of regel
     Het is natuurlijk een zonde om op kerstavond te applaudisseren, gelukkig dat ik niet de moraal van mijn grootmoeder heb geërfd.[3]
     Michael geloofde dat zijn zonde op zijn kinderen zou worden overgeërfd en dat geen van hen ouder zou worden dan drieëndertig, de leeftijd waarop Jezus stierf.[4]
     Uw lust is gehoord en gezien, maar uw zonde ook.[5]
  2. (figuurlijk) overtreding van een door mensen gestelde norm
     Het is zonde dat mijnheer alle suiker van Agnes in het buitenland verkoopt.[5]
  • zonde van de tijd
verspilling van de moeite
 ' 'Dat is zonde van je tijd.[5]
stellend
onverbogen zonde
verbogen (alleen
predicaat)

zonde

  1. te betreuren, een gevoel van spijt of teleurstelling oproepend
    • Dat is zonde van zo'n mooie dag. 
vervoeging van
zonnen

zonde

  1. enkelvoud verleden tijd van zonnen
    • Ik zonde. 
    • Jij zonde. 
    • Hij, zij, het zonde. 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]