zonde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zonde zonden
zondes
verkleinwoord zondetje zondetjes

Zelfstandig naamwoord

zonde v/m

  1. (religie) een overtreding van een goddelijke wet of regel
  2. jammer, iets dat te betreuren is
    Dat is zonde van zo'n mooie dag.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

====Werkwoord====


vervoeging van
zonnen

zonde

  1. enkelvoud verleden tijd van zonnen
    Ik zonde.
    Jij zonde.
    Hij, zij, het zonde.
Gangbaarheid
100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl