zonnen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zonnen
zonde
gezond
zwak -d volledig

Werkwoord

zonnen

  1. inergatief zich gedurende een zekere tijd blootstellen aan zonnestraling
    • Ik zat even te zonnen in het voorjaarszonnetje. 
  2. onpersoonlijk licht en warm worden door zonnestraling, het schijnen van de zon
    • De ramen open. Het zont; alles is zon in wijdte van zee en lucht. [3]
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zinnen

zonnen

  1. meervoud verleden tijd van zinnen
    • Wij zonnen. 
    • Jullie zonnen. 
    • Zij zonnen. 

Zelfstandig naamwoord

zonnen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zon

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen