zinking

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zin·king
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zinking zinkingen
[1] zinkings
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zinking v [2]

  1. ziekelijke aandoening
  2. het door het eigen gewicht naar beneden gaan of lager worden van iets
  3. iets voorzien van een zink laagje
Synoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen