Naar inhoud springen

vlek

Uit WikiWoordenboek
  • vlek
  • In de betekenis van ‘smet’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord vlek vlekken
verkleinwoord vlekje vlekjes

devlekv/m

  1. vieze of verkleurde plek
    • Er zat een vlek op zijn nieuwe broek. 
     Voor mij was het nog steeds een grijs ovaal met een witte vlek erin, iets wat je niet eens zou opvallen als je niet wist dat het een tumor was.[3]
     Zelfs op de begrafenis waren ze felrood, als een bewegende rode vlek in een verder zwart-witfilm.[4]
     'Denk jij dat Lana zou openstaan voor een gesprek met mij, van vrouw tot vrouw?' 'Misschien,' zegt Gijs, 'Maar ik vraag me af of je in de vlek moet gaan zitten wrijven.[4]

hetvleko

  1. woonplaats met een klein aantal woningen
vervoeging van
vlekken

vlek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlekken
    • Ik vlek. 
  2. gebiedende wijs van vlekken
    • Vlek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vlekken
    • Vlek je? 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  • vlek

vlek monbezield

  1. het slepen
  2. (verkeer) aanhanger
  3. (sport) sleeplift; een mechaniek waarmee skiërs de berg opgesleept worden
  1. vlečení o
  2. návěs monbezield, přívěs monbezield