aanhanger

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

aanhangwagen
Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·han·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanhanger aanhangers
verkleinwoord aanhangertje aanhangertjes

Zelfstandig naamwoord

aanhanger m

  1. iemand die gelooft in een bepaald idee, of die een bepaalde groep of persoon steunt
    • Een aanhanger van het communisme, een aanhanger van het CDA. 
    • Het parlement werd bestormd door woedende aanhangers van de president. 
  2. (transport) rijdend object dat achter de auto gehangen kan worden voor het vervoeren van goederen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be