dertigtal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • der·tig·tal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dertigtal dertigtallen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dertigtal o [1]

  1. een aantal van dertig personen of zaken
    • Bij een driedubbele zelfmoordaanslag op een markt naast een vluchtelingenkamp in het noordoosten van Nigeria is dinsdagmiddag een dertigtal mensen gedood. De aanval in het stadje Mandarari is waarschijnlijk het werk van de islamitische terreurgroep Boko Haram.[2] 
    • In een natuurgebied bij Nijmegen worden 3.000 vluchtelingen opgevangen in provisorische paviljoens. Een dertigtal vluchtelingen vond het te sober en vertrok.[3] 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen