tiental

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tien·tal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tiental tientallen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tiental o

  1. met het aantal van tien
    • Het vertrek werd onmiddellijk gestopt en alle passagiers werden uit het vliegtuig gehaald. Het vliegtuig verliet Manchester uiteindelijk pas zaterdagochtend om 05.00 uur met enkele tientallen minder passagiers aan boord. [1] 
     In het boek staan tientallen foto's. "We hebben het hele paleis geanalyseerd en alle ruimtes in beeld gebracht met de vraag: waar zitten scheuren en beschadigingen?", zegt Verfürden tegen RTV Utrecht. "Op basis daarvan maakten we het restauratieplan."[2]
  2. ongeveer tien

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Tubantia Florian van Impe 10-06-19 Vrouw opent per ongeluk nooduitgang in plaats van toilet, vlucht 7 uur vertraagd
  2. Bronlink Weblink bron “Plan voor restauratie Soestdijk gepresenteerd: 'Geen gemakkelijke klus'” (3/6/2020), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be