tiental

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tien·tal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tiental tientallen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tiental o

  1. met het aantal van tien
    • Het vertrek werd onmiddellijk gestopt en alle passagiers werden uit het vliegtuig gehaald. Het vliegtuig verliet Manchester uiteindelijk pas zaterdagochtend om 05.00 uur met enkele tientallen minder passagiers aan boord. [1] 
  2. ongeveer tien

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen