twaalftal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

twaalftal bij korfballen
Uitspraak
Woordafbreking
  • twaalf·tal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord twaalftal twaalftallen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

twaalftal o [1]

  1. een groep van twaalf stuks
    • Een grote topfavoriet is er niet, ik zie een twaalftal kanshebbers. Waaronder Tiesj.[2] 
    • De bedoeling was om een gerenommeerd internationaal studiebureau aan te stellen. Een eerste poging mislukte. Er meldde zich maar één bureau aan, maar dat bleek eerder gewerkt te hebben voor het Brussels Gewest en Brussels Airport, en werd dus afgewezen. De minister trok er daarop zelf op uit en polste bij een twaalftal studiebureaus in binnen- en buitenland. Drie daarvan reageerden positief, antwoordde de minister eind februari op vragen in de Kamercommissie Infrastructuur. Er werd een officiële procedure opgestart, waarna het studiebureau eind maart, begin april gekozen zou worden.[3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen