troubadour

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
De troubadour (2003)

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trou·ba·dour
Woordherkomst en -opbouw

Via het Franse "troubadour" van het Oud-Provençaalse trobador "vinder/dichter"

enkelvoud meervoud
naamwoord troubadour troubadours
verkleinwoord troubadourtje troubadourtjes

Zelfstandig naamwoord

troubadour m

  1. (middeleeuwen), (cultuur), (muziek), (dichtkunst), (verouderd) een langs kastelen en vorstenhoven in het Zuid-Frankrijk van weleer, rondreizend kunstenaar, musicus, zanger van liederen en voordrager van gedichten, balladen e.d.
    • Nog lang bleef het eigenaardige gezang van de troubadour in haar hoofd naklinken. 
  2. (cultuur), (muziek), (verouderd) een langs herbergen, jaarmarkten rondtrekkend artiest, muzikant, zanger van liedjes en komediant
    • Met z'n grappen en vrolijke wijsjes bracht de troubadour het publiek in een uitgelaten stemming. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie