nar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

nar
Uitspraak
Woordafbreking
  • nar
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘zot’ voor het eerst aangetroffen in 1432 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord nar narren
verkleinwoord narretje narretjes

Zelfstandig naamwoord

nar m [3] [4]

  1. (beroep) zot, dwaas
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
narren

nar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van narren
    • Ik nar. 
  2. gebiedende wijs van narren
    • Nar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van narren
    • Nar je?