hoofsheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoofs·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hoofsheid hoofsheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hoofsheid v [1]

  1. beleefdheid, wellevendheid, hoffelijkheid
    • Dat Willem zijn jonge echtgenote Anna van Saksen „niet met zulke treurigstemmende dingen vermoeien wilde, maar dat zij in plaats van de Heilige Schrift de ”Amadis van Gallië” en soortgelijke ontspanningslectuur die over de liefde handelde, zou lezen, en in plaats van handwerken en naaien een gaillarde zou leren dansen en meer van dergelijke hoofsheid, zoals dat in de Nederlanden gebruikelijk en fatsoenlijk was”, duidt echter niet op een verschil in cultuur, zoals Delen zegt, maar op een verschil in opvatting met zijn lutherse schoonmoeder. [2] 
    • Dat past in een cultuur van hoofsheid, van goede manieren, waarin ridders het vrouwelijk geslacht met respect tegemoet treden. Niet voor niets werden er, zo lezen we in het nawoord van vertaler Sander Berg, aan het hof van Marie de Champagne `cours d'amour' gehouden over hoe een hoofs ridder zich moest gedragen. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Tineke Goudriaan 16-10-2002 Menu: kappertjes en zeehond
  3. NRC Margot Dijkgraaf 21 september 2001 Een eigentijdse ridder