minstreel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1. Een minstreel, nagebootst in 2003.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • min·streel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord minstreel minstreels
minstrelen
verkleinwoord minstreeltje minstreeltjes

Zelfstandig naamwoord

minstreel m

  1. (middeleeuwen), (cultuur), (muziek), (verouderd) een in het Zuid-Frankrijk van weleer, langs kastelen en vorstenhoven rondreizend kunstenaar, musicus, zanger van liederen en voordrager van gedichten, balladen e.d.
    • Nog lang bleef het eigenaardige gezang van de minstreels in haar hoofd naklinken. 
  2. (cultuur), (muziek), (verouderd) een langs herbergen, jaarmarkten rondtrekkend artiest, muzikant, zanger van liedjes en komediant
    • Met z'n grappen en vrolijke wijsjes bracht de minstreel het publiek in een uitgelaten stemming. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen