goochelaar
Uiterlijk

- Geluid: goochelaar (hulp, bestand)
- IPA: / ˈɣoxəˌlar / (3 lettergrepen)
- goo·che·laar
- Van Oudnederlands gōkeleri «tovenaar».
- Naamwoord van handeling van goochelen met het achtervoegsel -aar
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | goochelaar | goochelaars |
| verkleinwoord | goochelaartje | goochelaartjes |
de goochelaar m
- (beroep) iemand die een publiek verbaast met schijnbaar onmogelijke handelingen
- We hebben gisteren een fantastische goochelaar gezien.
- Het woord goochelaar staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "goochelaar" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[1] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 10
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Achtervoegsel -aar in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Beroep in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %