stro

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stro
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stro -
verkleinwoord strootje strootjes

Zelfstandig naamwoord

stro o

  1. (plantkunde) (landbouw) droge bloeistengels van graangewassen
     Iedere avond sloop hij stilletjes naar de stal, rolde zich in een paardedeken en sliep lekker in het stro.[2]
Anagrammen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Middelnederlands

Zelfstandig naamwoord

stro o

  1. stro
Schrijfwijzen
  • Ook strou en strouw ontstaan uit de buigingsvormen.