reiziger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rei·zi·ger
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘die reist’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord reiziger reizigers
verkleinwoord reizigertje reizigertjes

Zelfstandig naamwoord

reiziger m

  1. iemand die bezig is een reis te maken
    • De reizigers waren gestrand doordat het noodweer het luchtverkeer tot een chaos gemaakt had. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen