reiziger

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rei·zi·ger
enkelvoud meervoud
naamwoord reiziger reizigers
verkleinwoord reizigertje reizigertjes

Zelfstandig naamwoord

reiziger m

  1. iemand die bezig is een reis te maken
    De reizigers waren gestrand doordat het noodweer het luchtverkeer tot een chaos gemaakt had.
Hyponiemen
Vertalingen