sok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sok
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘korte kous’ voor het eerst aangetroffen in 1805 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord sok sokken
verkleinwoord sokje sokjes

Zelfstandig naamwoord

sok

  1. v/m (kleding) kous die tot net boven de enkel komt [3]
    • na alle ellende met de banken en zakkenvullerij had de oude man net als in de crisistijd zijn geld maar weer in een ouwe sok onder het bed gestopt 
  2. v/m (dierkunde) bij viervoeters het anders gekleurde, onderste deel van de poot
  3. m (techniek) verbindingsstuk dat over twee buizen geschoven wordt om ze te verbinden, mof [4]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen