sokophouder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sok·op·hou·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sokophouder sokophouders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

sokophouder m [1]

  1. elastiek om afzakken van sokken te voorkomen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Verwijzingen