kous

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kous
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘sok’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • Ontleend aan het Picardische cauce, dat net als het Franse chausse ontwikkeld is uit het Latijnse calceus.
enkelvoud meervoud
naamwoord kous kousen
verkleinwoord kousje kousjes

Zelfstandig naamwoord

kous v/m

  1. (kleding) een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
    • Er zit een gat in mijn kous. 
  2. een hulpmiddel om een brandstof in licht om te zetten, dat deel uitmaakt van een olie- of petroleumlamp
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Daarmee is de kous af.
Daarmee is het afgelopen, daarmee is over de kwestie alles gezegd wat zinvol is
  • De kous op de kop krijgen
Je zin niet krijgen
  • Het naadje van de kous willen weten
Precies willen weten hoe iets zit
  • Met de kous op de kop thuiskomen
Benadeeld van een mislukking terugkomen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen