nieuw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nieuw
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: niew
Oudnederlands: niuwi
Germaans: *niwjaz
Indo-Europees: *néwos
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: new (Angelsaksisch: nīwe, nēowe), Duits: neu, (Oudhoogduits: niuwi), Fries: nij, nuj (Oudfries: nī, nīe)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: ny, (Oudnoors: nýr), IJslands: nýr, Faeröers: nýggjur
Oost: Gotisch: niujis
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nieuw nieuwer nieuwst
verbogen nieuwe nieuwere nieuwste
partitief nieuws nieuwers -

Bijvoeglijk naamwoord

nieuw

  1. recentelijk gemaakt
    Dat is het nieuwe huis dat gisteren pas afgerond is.
  2. recentelijk ontdekt
    Dit is een nieuwe diersoort.
  3. huidige.
    Ik heb een nieuwe fiets, want de vorige is kapot.
  4. onderscheidt nieuwere namen van oudere
    Nieuw-Amsterdam.
  5. in originele staat, nog niet eerder gebruikt
    Koop je een nieuwe of een tweedehands?
  6. vreemd, onbekend
    Dat idee is tamelijk nieuw voor mij.
  7. recentelijk aangekomen of opgedoken
    Dat is de nieuwe medewerker.
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen