opfrissen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·fris·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opfrissen
friste op
opgefrist
zwak -t volledig

Werkwoord

opfrissen

  1. fris maken, prettiger leefbaar of toonbaarder maken
  2. opnieuw paraat hebben wat je eerder hebt geweten, in geheugen roepen
    • Ik moest mijn geheugen even opfrissen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.