sinus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

sin B = overstaande zijde / hypotenusa ofwel b / a
Uitspraak
Woordafbreking
  • si·nus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sinus sinussen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

sinus m

  1. (wiskunde) de verhouding van de lengte van een loodlijn die van een der benen van een hoek op het andere been wordt neergelaten, tot het beenstuk waarvan wordt uitgegaan
  2. (medisch) holte of instulping zonder eigen wand
    sinus bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Hyponiemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl