extra

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ex·tra
enkelvoud meervoud
naamwoord extra extra's
verkleinwoord extraatje extraatjes

Zelfstandig naamwoord

extra o

  1. hetgeen men erbij krijgt
    • Het bedrijf had extra veel winst gemaakt zodat er voor het personeel ook wel een extraatje afkon in de vorm van een ruime winstuitkering. 
stellend
onverbogen extra
verbogen -
partitief extra's

Bijvoeglijk naamwoord

extra

  1. bijkomend.
    • U krijgt er nu een extra lampje bij. 
  2. (Limburg en Gelderland) opzettelijk.
    • Hij deed het extra. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Latijn

Voorzetsel

ĕxtrā + accusatief

  1. buiten
    «Extra urbem.»
    Buiten de stad.
  2. behalve


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /ɛkstra/

Bijvoeglijk naamwoord

extra

  1. extra
  2. speciaal, bijzonder
Verbuiging
  • Onverbogen