extra

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ex·tra
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘boven het gewone, bijzonder’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1738 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord extra extra's
verkleinwoord extraatje extraatjes

Zelfstandig naamwoord

extra o

  1. hetgeen men erbij krijgt
    • Het bedrijf had extra veel winst gemaakt zodat er voor het personeel ook wel een extraatje afkon in de vorm van een ruime winstuitkering. 
     Elke doos bevatte ontbijtrepen, noten, rozijnen, tortillas en noodles, aangevuld met wc-papier en pillen zoals vitamines en visolie. Om het een beetje leuk te houden stopte ik er ook een extraatje in zoals marshmallows, M&M’s of een frisbee.[2]
stellend
onverbogen extra
verbogen -
partitief extra's

Bijvoeglijk naamwoord

extra

  1. bijkomend.
    • U krijgt er nu een extra lampje bij. 
     Eigenlijk had ik totaal geen honger, maar het was noodzakelijk zo veel mogelijk calorieën binnen te krijgen. Er zou die dag namelijk pas na 32 kilometer water te vinden zijn, waardoor ik zeven liter water boven op mijn basisuitrusting mee moest sjouwen. Dat zou me veel extra energie kosten.[2]
  2. (Limburg en Gelderland) opzettelijk.
    • Hij deed het extra. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

extra

  1. (spreektaal) buitengewoon, geweldig
    «Le Parc Astérix, c'est extra
    Het Parc Astérix is fantastisch! [1]

Verwijzingen


Latijn

Voorzetsel

ĕxtrā + accusatief

  1. buiten
    «Extra urbem.»
    Buiten de stad.
  2. behalve


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • ex·tra

Bijvoeglijk naamwoord

extra

  1. extra
  2. speciaal, bijzonder
Verbuiging
  • Onverbogen

Bijwoord

extra

  1. extra
Afgeleide begrippen

Verwijzingen

Verwijzingen