extra

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ex·tra
enkelvoud meervoud
naamwoord extra extra's
verkleinwoord extraatje extraatjes

Zelfstandig naamwoord

extra o

  1. hetgeen men erbij krijgt


stellend
onverbogen extra
verbogen -

Bijvoeglijk naamwoord

extra

  1. bijkomend.
    U krijgt er nu een extra lampje bij.
  2. (Limburg) opzettelijk.
    Hij deed het extra.
Vertalingen


Latijn

Voorzetsel

ĕxtrā + accusatief

  1. buiten
    «Extra urbem.»
    Buiten de stad.
  2. behalve


Tsjechisch

Bijvoeglijk naamwoord

extra

  1. extra
  2. speciaal, bijzonder