troebel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • troe·bel
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen troebel troebeler troebelst
verbogen troebele troebelere troebelste

Bijvoeglijk naamwoord

troebel

  1. niet helder, niet duidelijk, niet zuiver (ook in overdrachtelijke betekenis van oneerlijk)
    Hij had een troebele blik in zijn ogen na het drinken van teveel alcohol.