troebel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • troe·bel
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen troebel troebeler troebelst
verbogen troebele troebelere troebelste
partitief troebels troebelers -

Bijvoeglijk naamwoord

troebel

  1. niet helder, niet duidelijk, niet zuiver (ook in overdrachtelijke betekenis van oneerlijk)
    • Hij had een troebele blik in zijn ogen na het drinken van teveel alcohol. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie