flauw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flauw
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘niet hartig, niet krachtig’ voor het eerst aangetroffen in 1401 [1]
  • [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen flauw flauwer flauwst
verbogen flauwe flauwere flauwste
partitief flauws flauwers -

Bijvoeglijk naamwoord

flauw

  1. zonder smaak, meestal door een gebrek aan zout
    • Deze flauwe hap kan wel wat zout gebruiken. 
  2. (figuurlijk) in overdrachtelijke zin smakeloos
    • Hij haalt soms de flauwste grappen uit. 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • een flauw biertje
een bier meet een slechte smaak
  • een flauwe plezante
iemand die flauwe grappen maakt
  • geen flauw idee
geen enkel idee
  • Hij had er geen flauw idee van hoe die er zouden uitzien.[3]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. etymologiebank.nl
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina