mogen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vrijheid hebben te, vermogen’ voor het eerst aangetroffen in 1200 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: mogen, moghen
Oudnederlands: mugan
Germaans: *maganan
Indo-Europees: *megʰ-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: may (Angelsaksisch: magan), Duits: mögen, (Oudhoogduits: mugan), Oudfries: muga
Noord: Zweeds: må, Deens: måtte, (Oudnoords: mega), IJslands/Faeröers: mega
Oost: Gotisch: magan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mogen
mocht
gemogen
onregelmatig volledig

Werkwoord

mogen

  1. modaal werkwoord ergens toestemming voor hebben
    • Hij mag veel te veel. 
    • Wij mochten niet komen. 
  2. onpersoonlijk toegestaan zijn
    • Nee, dat mag niet.  
  3. overgankelijk op prijs stellen, houden van (in deze betekenis vaak gecombineerd met graag)
    • Ik mag die jongen wel 
    • Albert mocht hem niet. Misschien omdat hij knap was.[2] 
  4. modaal werkwoord drukt een wens uit ten aanzien van het grammaticale onderwerp
    • Mogen zij in vrede rusten. 
  5. modaal werkwoord kunnen
    • Je mag aannemen dat het zo klopt. 
    • Het mocht niet baten. 
  6. overgankelijk lusten
  7. modaal werkwoord (eufemisme) iets moeten
     Op 10 juli 2019 bereikt la belle fille op haar racefiets zwoegend de top. Ze zou net als haar voorgangers uit de 17de eeuw ook wel een frisse duik willen nemen, maar voorlopig volstaan gulzige slokken uit haar bidon. Een bijrolletje in de historie van La Planche is genoeg. Morgen mogen de mooie jongens.[3]
Opmerkingen
  • Mocht kan alleen gebruikt worden als de genoemde toestand mogelijk is, als er onzekerheid is.[4]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen