mogen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vrijheid hebben te, vermogen’ voor het eerst aangetroffen in 1200 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: mogen, moghen
Oudnederlands: mugan
Germaans: *maganan
Indo-Europees: *megʰ-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: may (Angelsaksisch: magan), Duits: mögen, (Oudhoogduits: mugan), Oudfries: muga
Noord: Zweeds: må, Deens: måtte, (Oudnoords: mega), IJslands/Faeröers: mega
Oost: Gotisch: magan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mogen
mocht
gemogen
onregelmatig volledig

Werkwoord

mogen

  1. modaal werkwoord ergens toestemming voor hebben
    • Hij mag veel te veel. 
    • Wij mochten niet komen. 
  2. (onpersoonlijk) toegestaan zijn
    • Nee, dat mag niet. 
  3. overgankelijk op prijs stellen, houden van (in deze betekenis vaak gecombineerd met graag)
    • Ik mag die jongen wel 
  4. modaal werkwoord drukt een wens uit ten aanzien van het grammaticale onderwerp
    • Mogen zij in vrede rusten. 
  5. modaal werkwoord kunnen
    • Je mag aannemen dat het zo klopt. 
    • Het mocht niet baten. 
  6. overgankelijk lusten
Opmerkingen
  • Mocht kan alleen gebruikt worden als de genoemde toestand mogelijk is, als er onzekerheid is.[2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen