racen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ra·cen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
racen
racete
geracet
zwak -t volledig

Werkwoord

racen

  1. inergatief aan een snelheidswedstrijd deelnemen
    • Morgen gaan ze weer racen in Zandvoort. 
  2. inergatief haasten
    • Ik ben te laat, waardoor ik nu moet racen! 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be