prikken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prik·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘steken’ voor het eerst aangetroffen in 1573 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
prikken
prikte
geprikt
zwak -t volledig

Werkwoord

prikken

  1. een prik of steek toedienen, met een dun voorwerp doorboren
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

prikken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord prik

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen