onnozel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·no·zel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘onschuldig, dom’ voor het eerst aangetroffen in 1265 [1]
  • [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onnozel onnozeler onnozelst
verbogen onnozele onnozelere onnozelste
partitief onnozels onnozelers -

Bijvoeglijk naamwoord

onnozel

  1. (verouderd) onschuldig
    • Het feest van de Onnozele Kinderen wordt op 28 december gevierd. 
  2. dom, naïef
  3. niet ernstig
  4. (van een ding) onbeduidend, onbelangrijk
    • Heel die ruzie was om een onnozele paraplu? 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen