onnozel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·no·zel
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onnozel onnozeler onnozelst
verbogen onnozele onnozelere onnozelste
partitief onnozels onnozelers -

Bijvoeglijk naamwoord

onnozel

  1. (verouderd) onschuldig
    Het feest van de Onnozele Kinderen wordt op 28 december gevierd.
  2. dom, naïef
  3. niet ernstig
  4. (van een ding) onbeduidend, onbelangrijk
    Heel die ruzie was om een onnozele paraplu?

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.