onschadelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·scha·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onschadelijk onschadelijker onschadelijkst
verbogen onschadelijke onschadelijkere onschadelijkste
partitief onschadelijks onschadelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

onschadelijk

  1. geen schade berokkenend, ongevaarlijk
    • Het werd bespoten met een onschadelijke oplossing. 
    • Nemo vond het een zielig gezicht en hij had zich afgevraagd of er geen andere oplossing was voor de opstandelingen. Maar de aanvoerders hadden hem verzekerd dat zij wel zouden zorgen voor een verdere behandeling van de nu onschadelijke vijand. [1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 106