naïef

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·ief
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen naïef naïever naïefst
verbogen naïeve naïevere naïefste
partitief naïefs naïevers -

Bijvoeglijk naamwoord

naïef

  1. onvoldoende bewust van de mogelijke gevolgen van eigen handelen
    • Zijn naïeve opmerking zorgde voor grote hilariteit. 
    • Jammer genoeg nemen de inwoners van deze stad de dreiging van het christendom niet zo serieus als ze zouden moeten doen, ze denken dat we vredig naast elkaar kunnen leven. Tegen mensen die zo naïef zijn om dat te denken, zeg ik altijd: 'Kunnen water en olie ooit mengen? Zo goed kunnen ook moslims en christenen mengen!' [1] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Shafak, Elif Liefde kent veertig regels vertaald uit het Turks door Smits, Manon [2011] ISBN 978-90-445-1742-2 pagina 320