onderzoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·zoek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onderzoek onderzoeken
verkleinwoord onderzoekje onderzoekjes

Zelfstandig naamwoord

ònderzoek o

  1. het iets bekijken en waarnemen met als doel iets beter te begrijpen
    • Hij deed een onderzoek naar de herkomst van de Afrikaanse taal. 
    • De grootvader is ingestort. Hij is overgebracht naar het ziekenhuis van Manacor. Hij wordt verdacht van onopzettelijke doodslag. Het Anatomisch Forensisch Instituut van Palma voert een autopsie uit op het lichaam van het kleine meisje. De nationale politie heeft een onderzoek geopend naar de toedracht van het incident. [1] 
     Ik deed mijn rugzak af en ging op onderzoek uit om te zien of ik over de overhangende rotswand zou kunnen kletteren, hoog boven de sneeuwvlakte.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
onderzoeken

onderzóék

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onderzoeken
    • Ik onderzoek. 
  2. gebiedende wijs van onderzoeken
    • Onderzoek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onderzoeken
    • Onderzoek je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tubantia 10-08-18 Tien maanden oude baby door opa vergeten, kindje overlijdt in auto
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be