onderzoek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·zoek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onderzoek onderzoeken
verkleinwoord onderzoekje onderzoekjes

Zelfstandig naamwoord

ònderzoek o

  1. het onderzoeken van iets
    • Hij deed een onderzoek naar de herkomst van de Afrikaanse taal. 
    • De grootvader is ingestort. Hij is overgebracht naar het ziekenhuis van Manacor. Hij wordt verdacht van onopzettelijke doodslag. Het Anatomisch Forensisch Instituut van Palma voert een autopsie uit op het lichaam van het kleine meisje. De nationale politie heeft een onderzoek geopend naar de toedracht van het incident. [1] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
onderzoeken

onderzóék

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onderzoeken
    • Ik onderzoek. 
  2. gebiedende wijs van onderzoeken
    • Onderzoek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onderzoeken
    • Onderzoek je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen