nekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nek·ken

Zelfstandig naamwoord

nekken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord nek
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
nekken
nekte
genekt
zwak -t volledig

Werkwoord

nekken

  1. (palindroom) (overgankelijk) noodlottig worden; letterlijk: iemand de nek te breken
    Die laatste windvlaag heeft hem net genekt en hem van de weg doen belanden.
Vertalingen