ontkleed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·kleed
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van ontkleden: de stam zonder -d omdat de stam al op -d eindigt en zonder ge- vanwege voorvoegsel

Werkwoord

vervoeging van
ontkleden

ontkleed

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ontkleden
    • Ik ontkleed. 
  2. gebiedende wijs van ontkleden
    • Ontkleed! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ontkleden
    • Ontkleed je? 
vervoeging van: ontkleden…
verbogen vorm: ontkleede

ontkleed

  1. voltooid deelwoord van ontkleden
stellend
onverbogen ontkleed
verbogen ontklede
partitief ontkleeds

Bijvoeglijk naamwoord

ontkleed

  1. niet gekleed zijnd
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.