onbedekt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·be·dekt
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onbedekt onbedekter onbedektst
verbogen onbedekte onbedektere onbedektste
partitief onbedekts onbedekters -

Bijvoeglijk naamwoord

onbedekt

  1. zonder dat wat er gewoonlijk als afscherming overheen zit
    • De tafel staat bij het raam en is kaal en onbedekt. [2]
  2. (figuurlijk) openlijk, zonder iets te verbergen
    • Wilt gij biechten zo 't behoort,
      Zeg dan alles onbedekt!
       [3]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen