mooiheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mooi·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van mooi met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord mooiheid mooiheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

mooiheid v [1]

  1. het mooi zijn
    • Over een uurtje moet ik alweer inchecken op de luchthaven. Ik geniet nog gauw van een kop koffie en een stukje taart in de Kiasma-galerie. Het licht van de zon zet de eenvoudige mooiheid van het café nog kracht bij. [2] 
    • "Het is af, papa. Wat hebben wij een prachtig fort gebouwd, zeg. Ik val bijna flauw van mooiheid." Ik kijk naar hem en ik kijk naar mezelf. Toen ik vier jaar oud was, kauwde ik op punaises en rook ik aan brandnetels. Het woord 'mooiheid' leerde ik pas op mijn elfde of twaalfde kennen. [3] 
    • Inderdaad, het doet er niet toe of het jammer is dat de glazen melkflessen verdwenen zijn, of het woord ”schaften” bijvoorbeeld. Maar de foto is tijdloos mooi. Hoewel je dat van Mechanicus eigenlijk ook weer niet mocht zeggen. Als mensen iets mooi noemen, pleitte dat volgens hem meestal niet voor de foto. Een goede foto is de mooiheid voorbij. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 28 APRIL 2012 Norman Miller Noordse schoonheid voor elke beurs
  3. Het Parool JAMES WORTHY 11 APRIL 2018 Het woord 'mooiheid' leerde ik pas later kennen
  4. Reformatorisch Dagblad Christine Stam-van Gent 26-08-2013 Fotograaf Philip Mechanicus zag het bijzondere in het gewone
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be