monnik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mon·nik
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Griekse woord monos (alleen). [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord monnik monniken
verkleinwoord monnikje monnikjes

Zelfstandig naamwoord

monnik m

  1. een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
    • Hij is al jarenlang een monnik en zal dat ook altijd blijven. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Zo de abt, zo de monniken
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen