monnik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mon·nik
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Griekse woord monos (alleen). [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord monnik monniken
verkleinwoord monnikje monnikjes

Zelfstandig naamwoord

monnik m

  1. (religie) een man die uit religieuze overwegingen teruggetrokken leeft, voornamelijk in een klooster
    • Hij is al jarenlang een monnik en zal dat ook altijd blijven. 
    • De monnik deelde hun mee dat God Carolus tot Zich had geroepen en dat de kleine koning diezelfde avond zou worden begraven.[2] 
    • Wederom anderen verhalen, dat omstreeks het jaar 250 na Christus geboorte, in Bretagne een monnik leefde, Guiclan geheeten, die zich door zijne geleerdheid beroemd had gemaakt.[3] 
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Zo de abt, zo de monniken
  • Gelijke monniken, gelijke kappen
Onder vergelijkbare omstandigheden dient iedereen eenzelfde behandeling te krijgen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. The Beckman, Kruistocht in spijkerbroek, 1973
  3. G. D. J. Schotel, Vaderlandsche volksboeken en volkssprookjes van de vroegste ..., Volumes 1-2, 1874, p.2