Naar inhoud springen

geestelijke

Uit WikiWoordenboek
  • gees·te·lij·ke
enkelvoud meervoud
naamwoord geestelijke geestelijken
verkleinwoord - -

de geestelijke m

  1. (religie) iemand die voor een geloof werkt
    ▸ In januari 1854 overleed bisschop Mynster, de meest vooraanstaande geestelijke van het land.[1]
    • De man die we laatst in de kerk zagen, is een geestelijke. 
    ▸ De abt vond het spotternij om die heilige ruimte te vullen met gezang voor zulk een wereldse geestelijke.[2]

geestelijke

  1. verbogen vorm van de stellende trap van geestelijk
    ▸ Op zeventigjarige leeftijd nam Peter Christian ontslag bij zijn bisdom, geplaagd door dezelfde geestelijke nood die zijn vader had getroffen.[1]
    ▸ De Oudheid, met name de Griekse en vooral die welke voorafgaat aan de klassieke periode van Socrates en Plato, is van belang voor onze eigen cultuur, voor de geestelijke gezondheid van onszelf.[3]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. 1 2
    Daan Bronkhorst
    “Kierkegaard” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025313562
  2. ↑ “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 14
  3. ↑
    Paul van Tongeren
    “Nietzsche” (2020), Amsterdam University Press op Wikipedia, ISBN 9789048529407
  4. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be