geestelijke

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gees·te·lij·ke
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geestelijke geestelijken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

geestelijke m

  1. (religie) iemand die voor een geloof werkt
    • De man die we laatst in de kerk zagen, is een geestelijke. 
     De abt vond het spotternij om die heilige ruimte te vullen met gezang voor zulk een wereldse geestelijke.[1]

Bijvoeglijk naamwoord

geestelijke

  1. verbogen vorm van de stellende trap van geestelijk

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 14