abt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • abt
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘overste van monnikenklooster’ voor het eerst aangetroffen in 1220 [1]
  • Afkomstig van het Oudgriekse ἀββᾶς abbas (vader), dat op zijn beurt teruggaat op het Aramese אבא abba (mijn vader) [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord abt abten
verkleinwoord abtje abtjes

Zelfstandig naamwoord

abt m

  1. (religie) (beroep) het hoofd van een abdij
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen