gebrek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·brek
enkelvoud meervoud
naamwoord gebrek gebreken
verkleinwoord gebrekje gebrekjes

Zelfstandig naamwoord

gebrek o

  1. een tekort
    • Er is een gebrek aan voedsel. 
  2. een defect, een mankement
    • De gebreken stapelen zich op. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • gebrek hebben aan
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie