gebrek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·brek
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gemis, kwaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord gebrek gebreken
verkleinwoord gebrekje gebrekjes

Zelfstandig naamwoord

gebrek o

  1. een tekort
    • Er is een gebrek aan voedsel. 
  2. een defect, een mankement
    • De gebreken stapelen zich op. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • gebrek hebben aan
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen