Naar inhoud springen

map

Uit WikiWoordenboek
Een map.
  • map
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘omslag’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord map mappen
verkleinwoord mapje mapjes

demapv/m

  1. een stevig omhulsel voor papieren
     Ik wilde hem vragen hoe hij op de opening terecht was gekomen - of Quick hem had uitgenodigd, en waarom - maar ik durfde niet goed, en het gewicht van de map in mijn handen leek me de mond te snoeren.[4]
     Isaac Robles,' zei Reede, terwijl hij een foto uit een leren map op zijn bureau pakte. 'Ooit van hem gehoord?' 'Nee,' zei Lawrie. 'Het Prado heeft me deze gestuurd. Ze denken dat hij het is, in Malaga, in 1935 of '36.[4]
  2. een gebundelde verzameling gegevens
     Zijn naam was Frederick Parr en hij heette me zonder veel omhaal van woorden welkom in zijn kantoor, waar hij me een dikke map overhandigde die aan de zijkant was dichtgebonden met een rood lint.[4]
  3. (informatica) deel van het bestandssysteem, waarin een aantal bestanden op gestructureerde wijze bewaard kunnen worden
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]
  • map
enkelvoud meervoud
map maps

map

  1. landkaart
  2. zeekaart
  3. plattegrond
  4. plan, project
  5. (informatica) digitale folder [2], map [3]
  6. (financieel) (Amerikaans Engels) ongedekte cheque
  7. (wiskunde) grafiek
  8. (wiskunde) functie [3]
  9. (informeel) bakkes, gezicht
vervoeging
onbepaalde wijs to  map 
he/she/it  maps 
verleden tijd  mapped 
voltooid
deelwoord
 mapped 
onvoltooid
deelwoord
 mapping 
gebiedende wijs  map 

to map

  1. overgankelijk in kaart brengen
  2. overgankelijk indelen, classificeren
  3. overgankelijk arrangeren
  • map

map

  1. map
  • map

map

  1. genitief meervoud van mapa