cheque

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: chèque

Nederlands

cheque
Uitspraak
Woordafbreking
  • che·que
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord cheque cheques
verkleinwoord chequeje chequejes

Zelfstandig naamwoord

cheque m

  1. (financieel), (economie) schriftelijke betalingsopdracht waardoor een bedrag via de bank wordt overgeschreven of uitbetaald
    • Het duurde een halve seconde. Mijn vader greep weer naar zijn borstzakje. Dit keer haalde hij er een balpen uit. `Ik zal een cheque voor je uitschrijven.' [2] 
Hyponiemen

anticonceptiecheque, ecocheque, bankcheque, betaalcheque, boekencheque, cadeaucheque, condoomcheque, cultuurcheque, dienstencheque, dinercheque, energiecheque, eurocheque, fashioncheque, feestcheque, girocheque, internetcheque, kascheque, kennischeque, kindercheque, leescheque, maaltijdcheque, milieucheque, opleidingscheque, parkeercheque, pilcheque, postcheque, reischeque, rijbewijscheque, sekscheque, stookoliecheque, taxicheque, travellercheque, travellerscheque, vakantiecheque, vormingscheque, waardecheque, zomercheque, zorgcheque

Verwante begrippen

chequeactie, chequeboek, chequeboekje, ongedekte cheque,

Spreekwoorden
  • Een blanco cheque krijgen.
    (Zelf mogen bepalen,voor iemand anders, hoeveel men uitgeeft voor een bepaalde zaak)
    carte blanche
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 171


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • che·que
enkelvoud meervoud
cheque cheques

Zelfstandig naamwoord

cheque m

  1. cheque
    • La había visto firmar cheques sobre cuentas inexistentes, apoyar rotundas falsedades, estrechar manos que iba a traicionar.  [1]
Synoniemen
  1. talón
Verwante begrippen

Verwijzingen

  1. Arturo Pérez-Reverte, El club Dumas, 1993 (2008 uitg., ISBN 978-84-663-2070-2)