arrangeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ran·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
arrangeren
arrangeerde
gearrangeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

arrangeren

  1. (overgankelijk) in een bepaalde orde rangschikken, ordenen
    Hij heeft de bloemen tot een mooi boeket gearrangeerd.
  2. (overgankelijk) (muziek) een bepaalde melodie met akkoorden omlijsten en voor een bepaalde bezetting geschikt maken
    Hij arrangeerde een bekend lied voor fluit, hobo en orgel.
  3. (juridisch) (een geschil) bij schikking afdoen
  4. regelen, organiseren
    De vaksbondsleider wil een gesprek tussen het personeel en de directeur arrangeren.
    arrangeren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl