arrangeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·ran·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
arrangeren
arrangeerde
gearrangeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

arrangeren

  1. overgankelijk in een bepaalde orde rangschikken, ordenen
    • Hij heeft de bloemen tot een mooi boeket gearrangeerd. 
  2. overgankelijk (muziek) een bepaalde melodie met akkoorden omlijsten en voor een bepaalde bezetting geschikt maken
    • Hij arrangeerde een bekend lied voor fluit, hobo en orgel. 
  3. (juridisch) (een geschil) bij schikking afdoen
  4. regelen, organiseren
    • De vaksbondsleider wil een gesprek tussen het personeel en de directeur arrangeren. 
    arrangeren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen