liefje
Uiterlijk
- lief·je
| [2] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | (lief) | (lieven) |
| verkleinwoord | liefje | liefjes |
het liefje o
- verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord lief
- alleen verkleinwoord persoon waarmee men amoureuze betrekkingen heeft
- Hij had een afspraakje met zijn liefje.
- Het woord liefje staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "liefje" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Achtervoegsel -je in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Betekenis alleen als verkleinwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %