liefelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lie·fe·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van lief met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen liefelijk liefelijker liefelijkst
verbogen liefelijke liefelijkere liefelijkste
partitief liefelijks liefelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

liefelijk

  1. schilderachtig, lieflijk, lief
    • Op vakantie kwamen we met de fiets in de liefelijkste dorpjes. 
    • De paardenfluisteraar had een liefelijke benadering van de paarden. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.